Na de grensovergang strijken we neer in een dunbevolkt plaatsje dat Kameel heet en dat wordt gedomineerd door enorme graan- en maïssilo’s. We kunnen kamperen bij “Kameel Rust & Vrede”. We ontmoeten er Jan en Jacky – doorwinterde kampeerders die hun hart hebben verloren aan moeilijk bereikbare plekken. Zij leven voor die zeldzame, tastbaar in de lucht hangende stilte en geven ons wat tips mee voor volgende geïsoleerde routes en bestemmingen.

In Botswana hebben we naast wasbord (geribbelde gravelwegen) ook zandwegen gevonden met trage hobbels. The Beast had er moeite mee – Adriaan vermoedt dat de voorste schokdempers het (ook) hebben begeven. In Upington vindt Adriaan een 4x4 specialist. De rit van Kameel naar Upington is lang, dus zoeken we onderweg een plek om te overnachten. Wildkamperen doen we nooit op privé terrein, maar alle land hier is keurig toebedeeld aan boerderijen, die kilometers hekken hebben geplaatst.
We houden halt bij de “Rooikar Padstal” (een typisch Zuid-Afrikaans wegstalletje) waar je zowel lekkernijen als (tegeltjes)wijsheden kunt scoren. Het is eigenlijk geen camping, maar we gaan toch maar vragen. De eigenares (Elna) staat toe dat we op hun eigen kampeerplaats kunnen staan: drie kilometer vanaf de hoofdweg. Het is hun privé slaapplaats tijdens het jachtseizoen (op het terrein van de enorme boerderij). We maken er kennis met haar zoon Norman, een goedlachse boer met 500 koeien en 2500 schapen. Een deel van de schaapskudde is al samengedreven in een kraal, wachtend op een dag vol boerenrituelen: brandmerken, vaccineren, ontwormen, soms castreren.


Wanneer Norman onze nummerplaat ziet, grijnst hij: “I’ll never travel. Why should I? I’m already in heaven here. All the nature, given by God.” Zelfs de verzengende hitte in de zomer met temperaturen die boven de veertig graden klimmen kan hem niet deren.
We slapen er tussen de wantrouwige koeien. Adriaan probeert nog contact te maken, maar de dieren blijven halsstarrig op afstand. ’s Morgens smullen we van het lekkers in de padstal: ik een boerenwors, Adriaan een mierzoete Zuid-Afrikaanse koeksister. Natuurlijk gaat er ook nog een pak boerenwors mee. Vegetarisch? Dat lijkt hier een vreemd woord – vlees produceren, slachten, marineren, grillen, drogen, tot worst malen en vlees eten zijn wél bekend.
In Upington krijgt the Beast zijn nieuwe schokbrekers in een tot de nok gevulde 4x4-shop. Tussen de blinkende 4WD accesoires lonken comfortabele plooistoelen en we besluiten er één mee te nemen. Onze oude stoelen bleven immers achter in Odrimont, wegens te weinig gebruikt op het Amerikaanse continent. Met een vers-gekocht boek over Zuid-Afrikaanse flora en fauna én een pond biltong (gemarineerd, dan gedroogd rundvlees) wordt de stoel diezelfde avond ingewijd op een wijngoed aan de oever van de Oranjerivier. We wagen ons aan een wijnproeverij. Nooit gedacht dat in het noorden van Zuid-Afrika zoveel wijnranken staan. Toch kopen we niets: de rode wijn te tanninerijk, de witte wat vlak – enkel de zoete muskaat dessertwijn kon ons bekoren, maar dat drinken we onderweg nooit.


Daarna volgt ons eerste natuurpark: Augrabies Falls. Een waterval in dezelfde Oranje rivier, met erachter een kloof van achttien kilometer lang. De zandvliegjes zijn er talrijker dan bezoekers, dus schaffen we een muskietennet voor over ons hoofd aan. Belachelijk om te zien, maar ongelooflijk effectief.


De landen in zuidelijk Afrika heffen toegang voor hun parken in drie tarieven: één voor inwoners van het land, één voor buurlanden en het ‘normale’, maar dubbele tarief voor ... ons. We besluiten we een “Wild Card” te kopen – één (flinke) rekening, maar nu zijn álle nationale parken (en deelnemende reservaten) van Zuid-Afrika gedurende één jaar voor ons ‘gratis’.
Op Klein Pella, een boerderij van 3000 hectare, overnachten we. Groot geluk voor Adriaan: (spotgoedkope) dadels in overvloed. De boerderij maakt deel uit van de Karsten groep, opgericht door Piet Karsten. We rijden wat rond: we zien verspreide dadel- en druiven plantages, een hybride zonne-energie/generator electricteits centrale, woningen in groepen, gekoelde pakhuizen en veel water pompstations (het water uit de Oranje rivier maakt dit ‘alles’ mogelijk). In tegenstelling tot veel andere plekken zien we hier dat er goed voor de werknemers (van kleur) gezorgd wordt.


Vanuit Klein Pella belanden we op een 4x4-trail en vinden een unieke kampeerplek in de bedding van (nog steeds) de Oranje rivier. Met een gouden zonsondergang aan onze voeten voelt het alsof we alleen op de wereld zijn. Een groep bavianen waagt zich ‘s morgens bijna tot aan onze auto. Omdat ons brood en de diesel bijna op zijn, melden we ons in de bewoonde wereld (Steinkopf geheten). De parkeerplaats van lokale supermarkt wordt bevolkt door bedelaars en schimmige figuren, die niet lijken op de mensen die hier al duizenden jaren wonen. We vermoeden Arabische, Zuid-Europese en Noord-Afrikaanse invloeden.



Daarmee bereiken we de westkust van Zuid-Afrika. Deze kust is ruig en weinig bereisd, ondanks de weidse uitzichten. Tijdens het laatste uur autorijden daalt de temperatuur van 30°C naar vijftien graden met zeemist. De oceaan is niet te zien, de ‘kou’ drijft ons terug landinwaarts. We overnachten langs de weg zonder te weten dat we eigenlijk op verboden terrein slapen: dit deel van de noordkust behoort tot een diamantmijn, enkel toegankelijk met vergunning.
Vroeger werden die diamanten vooral gedolven door De Beers, maar nu verkopen ze hun terreinen langzaamaan. De lokale bevolking, die vroeger voor De Beers werkten, proberen een graantje mee te pikken. Plots valt ook mijn onbehagen van gisteren op zijn plaats. Deze mensen (of hun ouders) zijn heel lang geleden op die diamanten afgekomen. Vinden ze al eens een steen, dan verdwijnt die meestal net zo snel weer. Verslavingen komen ervoor in de plaats. En dan dakloosheid en zo verder.


Ondertussen heeft de lente zich aangediend: er is een beetje regen gevallen op de woestijn in het Namaqua Park. Dat is het sein voor de planten dat de winter voorbij is en zet ze in bloei. Nog nooit zagen we zo’n uitbundige variatie aan verschillende bloemsoorten op één dag. Omdat de frisse zuidenwind koud aanvoelt zetten we onze ondertent op – mijn favoriet, omdat het meer een eigen nestgevoel geeft en warmer is doordat we uit de wind kunnen koken en eten. Daar, tussen bloemenzee en branding, genieten we van de stilte én van onze plek.






We moeten onderweg keuzes maken. Alles zien is onmogelijk: we kunnen niet tegelijk van de zee en de bergen genieten. Daarom rijden we terug landinwaarts, door de Cederberg Wilderness, ongeveer richting Kaapstad. Zoals de naam al verraadt: ruige bergketens, grillige zandsteenformaties en velden vol rooibos. Het landschap is dramatisch mooi, bijna overdonderend.
Adriaan kiest een boerderij met meer dan honderd kampeerplaatsen – iets waar ik normaal gesproken van terugdeins. We vinden een rustig hoekje, want het is nog laag seizoen. We ontmoeten Eric, een Vlaming die al 27 jaar in Zuid-Afrika woont en momenteel de aspergeoogst op deze boerderij overziet. Hij bezorgt ons een bos verse asperges, een schiller en échte roomboter (eieren hebben we zelf). En zo zitten we die avond op ons plekje aan een riviertje, onder Eucalyptus bomen, smullend van een onverwachte lente maaltijd.


Bij het afscheid uit België gaven Andries en Maitè ons een bon voor een charmant treintje in Franschhoek dat langs verschillende wijngaarden rijdt, waar je telkens kunt uitstappen voor een proeverij of lunch. Om elf uur ’s ochtends staan de eerste glazen wijn al voor ons klaar bij de “Rickety Bridge Wine Estate”. Later die dag bezoeken we “Klein Goederust”, een warme boerderij opgericht door Nomaroma Siguaqa, de eerste vrouw van kleur die een wijngaard in deze streek begon.


Ondertussen maakt Adriaan zich zorgen over de steeds harder piepende ophanging van the Beast. Bovendien denkt hij dat het wiellager waarvan de speling is weggewerkt in Angola nu de moed opgeeft. Op woensdag (24 september) beginnen we aan zijn Kaapstadse garage shortlist. Maar het is Heritage Day, een nationale feestdag. Niemand werkt, velen hebben er meteen een lang weekend van gemaakt. We vinden een parkeerplaats (een auto van 2,50 meter parkeren in een stad is een uitdaging) en genieten van een flinke portie oesters aan The Waterfront. Een hotel met een hoge garage lukt niet – we vinden een gezellig guesthouse aan de rand van Kaapstad. We kunnen pas maandag bij de uitgekozen garage terecht en beginnen ook aan een lang weekeinde.

Ik voel me ‘jong’ en fit genoeg om de Tafelberg te beklimmen. Geen bucketlist voor mij, maar deze stond al lang op mijn Afrika-wenslijst. Omdat het een van de zeven natuurwonderen is? Of omdat hij zo overweldigend boven Kaapstad uittorent? Mijn Adriaan ziet het niet zitten en dus ga ik alleen (al wordt het algemeen afgeraden). Het pad is steiler en zwaarder dan verwacht, maar stap voor stap kom ik dichter bij de top.



Adriaan zou met de kabelbaan gaan, maar haakt af bij de drie uur wachttijd en laat The Beast schoonmaken in de buurt van het kabelbaanstation. Ik voel me fier en emotioneel als ik alleen boven ben aangekomen. Ik geniet van het uitzicht terwijl ik uitrust. Op het moment dat ik naar beneden wil, ontdek ik dat mijn portemonnee nog in het guesthouse ligt. Mijn rugzak driemaal nakijken helpt niets. Gelukkig kan Adriaan beneden een kabelbaan ticket kopen, er een foto van maken en die doorsturen. Opluchting!
Omdat we tot maandag moeten wachten voor het garagebezoek, rijden we vrijdag de schilderachtige route naar Kaap de Goede Hoop. Een prachtige tocht, ondermeer langs Boulder, één van de weinige pinguïn kolonies in Afrika. Mensen uit touringcars verdringen zich voor de klassieke foto bij het bord. Later bezoeken we in Kaapstad een indrukwekkende plek: honderd bronzen beelden van mensen (op ware grootte) die de mars naar vrijheid uitbeelden. Eeuwen rassen discriminatie, vervolging, apartheid en de ontworsteling vertaald in brons (en emotie). We zijn eventjes niet zo fier uit de Lage Landen afkomstig te zijn.



Het centrum van Kaapstad is vooral een ‘witte’ stad. Buiten de optredens aan The Waterfront tijdens Heritage Day zie ik weinig mensen van kleur, behalve achter de kassa’s van supermarkten, als schoonmakers, als serveersters of als daklozen. Buiten de stad vinden we deprimerende woonkazernes of zelfs sloppenwijken. Ongelijkheid is de werkelijkheid. Apartheid is afgeschaft, armoede niet.


Bekijk meer foto's en de afgelegde route.